
Tanichthys spp. - o.a. Chinese (T. albonubes en Vietnamese danio (T. micagemmae): deze redelijk kleine scholenvissen (4-6cm) hebben van nature behoefte aan een sterke stroming en niet al te hoge temperaturen. Dit maakt ze erg geschikt om te houden in een hillstreambak of speciaalbak voor waaierhandgarnalen (in praktijk komt dat op hetzelfde neer). Met de wat sneller kwekende dwerggarnalen zijn ze prima te vertrouwen, maar men kan ze beter niet samenhouden met nog kleinere soorten of hoge gradaties. Deze zijn vrij makkelijk te kweken.
Vanaf 80cm; minstens 10.

Hillstream loaches (letterlijk "bergbeekmodderkruipers") - o.a. Beaufortia en Sewellia spp.: Ook deze vissen komen uit snel stromende bergbeken, en hebben als aanpassing aan de kracht van het water de onmiskenbare vorm van een platte, achtvormige zuignap. Hoewel ze er zo uitzien als algeneters, eten ze eigenlijk de micro-organismen die daarin leven (aufwuchs). Hierdoor zijn ze mogelijk niet erg veilig bij jonge dwerggarnalen, maar juist wel weer uitstekend gezelschap in een waaierhandspeciaalbak. De kleinste zijn rond de 4cm, grotere tot ongeveer 12; onderling kunnen ze af en toe wat agressief zijn.
Kleinere soorten vanaf 60cm; minstens 4.

Stiphodon spp.: deze grondels zijn nog maar vrij recent ontdekt, en lastig te krijgen, maar wel al vrij populair. Ze vragen ongeveer dezelfde verzorging als de vorige groep, en zijn dus ook weer geknipt voor de hillstreambak. Deze hebben echter een ander gedrag, mannetjes zijn onderling vrij opschepperig, en ook naar vrouwtjes toe. Dit is te zien als ze hun rugvinnen omhoog zetten. Deze kan je dus beter met meerdere mannetjes houden, dan zie je meer van hun gedrag. De grootste soort van het geslacht wordt ruin 6 centimeter, de kleinsten rond de 2,5.
Vanaf 60cm; minstens 3 (harem).

Boraras spp., Microrasbora spp., Sundadanio axelrodi: diverse kleine karperachtigen, die allemaal prijs stellen op vrij zacht en zuur water. Gezien de geringe grootte (de B. brigittae is met 12mm een van de kleinste vissen op aarde) zijn deze vissen te vertrouwen met alle garnalensoorten. Heel af en toe een piepjong garnaaltje is helaas onvermijdelijk, maar dat vormt geen probleem bij een gemiddeld kwekende groep. Deze soorten houden niet van veel stroming, dus een sponsfilter is prima, het hebben van wat drijfplanten in de bak (tegen teveel licht) is wel aan te raden.
Vanaf 10 liter; minstens 10.

Heterandria formosa - dwergtandkarper: een redelijk zeldzaam familielid van de gup, ook levendbarend, maar een stuk kleiner (♂ 2cm; ♀ 3cm) en dus voor kleine bakken al geschikt. Deze vis stelt prijs op een hogere hardheid (pH7,5-8,5) en is tamelijk productief, deze twee factoren samen maken het visje ideaal om te houden naast dwergkreeften. Deze vissen zijn ook redelijk te vertrouwen naast dwerggarnalen. Bij deze vis is het vrouwtje kieskeurig in het kiezen van een man, dit is erg ongewoon bij levendbarenden, en hierdoor kan men dus beter 2 mannen op 1 vrouw houden (ook omdat vrouwen vaak mannetjes eten door het verschil in grootte). De jongen worden niet in één keer losgelaten, maar verspreid over een periode van twee weken.
Vanaf 8 liter; minimaal 6

Corydoras pygmaeus, C. hastatus, C. habrosus: deze drie soorten Corydoras zijn samen bekend als de "dwergcory's". De pygmaeus is de kleinste, met ongeveer 2,5cm. Deze zijn redelijk geschikt voor kleinere bakken, en van alle cory's het meest te vertrouwen met kleine garnalen. In de verzorging mogen zacht water, een deels open oppervlak (darmademhaling), fijne, afgeronde bodembedekking en een redelijk aandeel plantaardig voedsel niet ontbreken. Dit is geen probleem in een garnalenbak, en ze eten ook ongeveer hetzelfde als garnalen (resten op bodem, groenten enz.). Bij de habrosus moet men oppassen dat deze gevoelig kan zijn voor schommelingen in de waterwaarden, let daarop bij het overwennen.
Vanaf 40cm; minimaal 6

Pseudepiplatys annulatus - dwarsbandsnoekje: deze kleine killivis is niet, zoals veel andere soorten, seizoensgebonden, en erg geschikt voor de gezelschapsbak. De mannetjes hebben felle kleuren in de rug- en staartvin, en pronken vaak onderling, wat nogal agressief kan zijn. Hierom is het raadzaam om in een bak van de minimumgrootte maar één mannetje te houden. Ze hebben zoals veel killi's behoefte aan zuur water, en stellen prijs op veel drijfplanten. Deze soort is erg gebonden aan de oppervlakte en heeft ook een bovenstandige bek, hierdoor is het onwaarschijnlijk dat ze zich te goed doen aan uw garnalen. Aan de andere kant moet men wel zorgen voor drijvend voer, men kan ze bijvoeren met witte muggenlarven en fruitvliegjes.
Één harem vanaf 35 liter, meerdere harems vanaf 60cm; minstens 2 vrouwtjes per harem

Gasteropelecidae spp. - bijlzalmen: deze vissen zijn niet bijzonder door felle kleuren, maar door hun ongewone vorm, de grote buik dient als aanhechting voor de spieren van de grote borstvinnen. Hiermee kunnen ze in gevaar uit het water springen, het zijn de enige vissen ter wereld die naast springen en zweven ook echt kunnen vliegen, dat wil zeggen dat ze buiten het water nog vaart kunnen maken met hun borstvinnen. In het aquarium willen ze nog weleens uit de bak springen, dus zorg dat u een deksel op uw aquarium heeft, en wees voorzichtig tijdens het schoonmaken. Deze familie is ook weer sterk gebonden aan de oppervlakte, hebben dus ook een bovenstandige bek, en daardoor is het weer volkomen veilig om ze bij garnalen te houden. Voeding ook weer drijvend, met als extra insecten e.d. (levend of dood), bijvoorbeeld vliegen, spinnen, mieren enzovoort. Verder zijn het leuke vissen om te zien, vooral bij een wat sterkere oppervlaktestroming. Ook wat drijfplanten worden op prijs gesteld, maar teveel niet.
Carnegiëlla spp. vanaf 60cm, Gasteropelecus spp. vanaf 1m, Thoracocharax stellatus vanaf 1.20m






